Versleping van vergiftigd lokaas tegen ratten en huismuis: hoe vaak gebeurt het en wat is ertegen te doen?
02 februari 2022

Versleping is het naar buiten transporteren van vergiftigd lokaas vanuit een lokdoos. Het gevaar van versleping is, dat vergiftigd lokaas tegen ratten en huismuis, gegeten wordt door soorten waarvoor het gif niet bestemd is. Uit onderzoek met cameravallen, door CLM, Bureau Waardenburg en Stichting Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD), in opdracht van het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (IenW), blijkt dat lokaas in 10% van de gevallen is versleept. Een enquête onder plaagdierbeheersers laat zien dat ongeveer de helft van hen, één of meerdere keren versleping heeft waargenomen. Bij de lokdozen werd vaak de huiskat gezien en in mindere mate grote gele kwikstaart, ekster, roodborst, egel, hond en vos. Deze soorten lopen risico op vergiftiging. Dit risico kan worden verkleind door het nemen van verschillende voorzorgsmaatregelen.

Bruine rat

Aanleiding

De meeste rodenticiden behoren tot de groep van de anticoagulantia. Na inname van lokaas met deze chemische stoffen, kunnen dieren sterven aan interne bloedingen. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) geeft aan dat deze middelen niet voldoen aan de toelatingscriteria, maar staat gebruik toe, omdat knaagdieren (zwarte rat, bruine rat en huismuis) schade en ziekten kunnen veroorzaken en nog onvoldoende alternatieve methoden voorhanden zijn. Uit een eerdere studie (CLM-rapport 1012: Kans op vergiftiging van niet-doelsoorten met rodenticiden in Nederland) in meer dan de helft van de circa 200 onderzochte monsters optreedt. In de niet doelsoorten als vos, steenmarters, bunzing, wezel, kerkuil, steenuil en torenvalk zijn deze gifstoffen teruggevonden. Dit was voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aanleiding om te laten onderzoeken in welke mate versleping plaatsvindt, welke niet-doelsoorten risico lopen op blootstelling en welke voorzorgsmaatregelen mogelijk zijn.

Onderzoeksopzet

Het vervolgonderzoek werd najaar 2021 uitgevoerd en bestond uit een deskstudie, een enquête onder professionele gecertificeerde plaagdierbeheersers en een cameravalonderzoek. De 18 cameravallen stonden gericht op 54 lokdozen, opgesteld tegen de bedrijfsgebouwen van drie melkveehouderijen in de Betuwe.

Belangrijkste resultaten

Met de cameravallen is versleping vastgesteld in ruim 10% van de proefsituaties (N = 162). Daarnaast heeft ongeveer de helft van de ondervraagde plaagdierbeheersers versleping in de praktijk waargenomen. Kortom, versleping van aas treedt op in de praktijk en is een mogelijke route voor doorvergiftiging. Betreden van lokdozen door niet-doelsoorten is niet vastgesteld met dit cameravalonderzoek, met uitzondering van slakken. Dit in tegenstelling tot het eerdere onderzoek van dit consortium, waarin met name veel bosmuizen werden waargenomen in de lokdozen. Aangezien de lokdozen nu in de directe nabijheid van bedrijfsgebouwen geplaatst zijn, niet in het vrije veld, is het niet waarnemen van bosmuizen echter verklaarbaar. Plaagdierbeheersers plaatsen lokdozen overigens ook in de nabijheid van de bedrijfsgebouwen, de proefopzet is dus in lijn met de praktijk.

Welke dieren zijn aangetroffen nabij de lokdoos?

De bruine rat is in 40% van de waarnemingen vastgelegd door de cameravallen; daarnaast werd ook de doelsoort huismuis waargenomen. De niet-doelsoorten die nabij de lokdozen zijn waargenomen, lopen risico op vergiftiging door het eten van (resten van) versleept lokaas en/of vergiftigde prooidieren/aas. Veruit de meest waargenomen niet-doelsoort is de huiskat. Daarnaast werden vooral vogelsoorten, zoals ekster, grote gele kwikstaart en roodborst, en (kleine) zoogdieren, zoals egel en vos, met de camera’s vastgelegd.

Deze huiskat heeft het voor elkaar gekregen om het lokvoer uit de lokdoos te vissen. Deze waarneming vond plaats in de gewenningsperiode en dus buiten de proefperioden.

Maatregelen ter voorkoming van versleping en doorvergiftiging

De meest effectieve maatregel om versleping en de bijbehorende risico’s te voorkome, is af te zien van het gebruik van rodenticiden. In de nieuwe IPM-richtlijn voor plaagdierbeheersers dient voorrang te worden gegeven aan niet-chemische bestrijding. Pas na 10 dagen mogen rodenticiden worden ingezet, en alleen bij onvoldoende resultaat van niet-chemische bestrijding, Al 25% van de ondervraagde plaagdierbeheersers kiest ervoor helemaal geen rodenticiden te gebruiken.
Een opgeruimd erf vermindert ook de overlast door knaagdieren. Aanvullend kan niet-chemische bestrijding worden ingezet (zoals klapvallen, luchtbuks, de EKO1000-kastval, Goodnature A24, elektrocutievallen). Het merendeel van de plaagdierbeheersers (98%) is bekend met deze alternatieve vangmethoden en staat hier positief tegenover.

Als toch rodenticiden worden toegepast, is strategische plaatsing van lokdozen belangrijk: bij voorkeur waar weinig niet-doelsoorten voorkomen en dus de kans op versleping door niet-doelsoorten gering is. Om de soorten in en rond de lokdozen beter in beeld te krijgen, is aanvullende monitoring, bijvoorbeeld met cameravallen, aan te bevelen. Ook het aanbieden van lokaas in blokvorm en/of het lokaas stevig bevestigen met een klemmetje of ijzerdraad helpt om de kans op versleping te verkleinen. Het ontwerp van lokdozen kan daarnaast verder geoptimaliseerd worden (bijvoorbeeld het verkleinen van de opening) op het gedrag van doelsoorten; daarvoor is meer aandacht en onderzoek nodig.
Tenslotte is het verwijderen van versleept lokaas en het verwijderen van kadavers belangrijk.

De geïnventariseerde maatregelen zijn gebundeld in een overzichtelijke matrix.

Meer info

Download het rapport: 1093-Versleping rodenticiden (pdf, inclusief de matrix met maatregelen) en/of alleen de matrix.

Heeft u vragen of omerkingen? Neem contact op met de auteurs/adviseurs