Duurzame landbouw -
Gezond voedsel - Vitaal platteland

CLM is een onafhankelijk kennis- en adviesbureau op het gebied van
landbouw, voedsel, natuur en milieu.

Nieuwsbericht

22 juni 2012

Column van Frits van der Schans over het Convenant Weidegang


Na het sluiten van het convenant Weidegang (18 juni 2012) moest ik direct denken aan het spreekwoord “The proof of the pudding is in the eating”. Een spreekwoord dat bekendheid kreeg nadat het was gebruikt in de Engelse vertaling van Don Quichot. Overigens luidde dat spreekwoord in het Spaans: “Al freír de los huevos lo verá”, (“Je ziet het als je de eieren bakt”). Kortom, het breed gesteunde convenant zal zich de komende jaren moeten bewijzen.

Goed dat veel partijen – waaronder ook Centrum voor Landbouw en Milieu - zich kunnen vinden in de afspraken van het convenant Weidegang. Maar jammer dat niet nog meer partijen zich hebben aangesloten. Voor sommigen gaat het convenant te ver omdat het treedt in de vrijheid van individuele ondernemers of omdat de lasten te eenzijdig worden gelegd bij de sector. Anderen vinden dat het convenant niet ver genoeg gaat om de trend naar opstallen te keren. De komende jaren zullen uitwijzen wie gelijk had. Feit is dat enkele tientallen organisaties hun nek hebben uitgestoken en dat is sowieso te waarderen. Zonder zuur te willen zijn, vraag ik aandacht voor twee punten.

Erfbetreders in spagaat

Verschillende erfbetreders zoals veevoerbedrijven en accountants hebben dit convenant getekend. Die organisaties staan voor de gemaakte afspraken. De vraag is op welke wijze zij die afspraken doorvoeren in hun organisaties. Het is bekend dat mengvoerbedrijven hun buitendienstmedewerkers beoordelen op de kwaliteit van de adviezen én op de verkoop van voer. Aangezien het krachtvoergebruik bij opstallen vaak hoger is dan bij weiden, zitten deze voeradviseurs/-verkopers in een spagaat. Deze spagaat doet zich niet alleen voor bij mengvoerbedrijven maar - in mindere mate - ook bij banken, dierenartsen, accountants en meststoffenleveranciers. Het zou goed zijn als deze organisaties inzicht geven in de beloningsstructuur van de buitendienst. Daarmee kunnen zij duidelijk maken dat er geen enkele prikkel bestaat ter bevordering van permanent opstallen.

Definitie van weidegang

Een tweede punt gaat over de definitie van weidegang. Er is gekozen voor minimaal 120 dagen per jaar en 6 uur per dag. Een heldere definitie waar melkveehouders die echt weiden gemakkelijk aan kunnen voldoen. Maar het biedt veehouders ook ruimte om de eerste (en tweede) snede gras te kuilen voordat de koeien naar buiten gaan. En dan is het voor burgers moeilijk te begrijpen dat boeren hun ‘weidemelkkoeien’ op rokjesdag nog in de stal hebben. Voor wat betreft het percentage bedrijven met weidegang is het convenant duidelijk. Het huidige niveau is de ondergrens, maar vallen bedrijven met ‘deeltijd weiden’, ‘vrije keuzestal’ en ‘uitloop’ ook onder deze definitie? Dat zou erg verwarrend zijn, omdat voor consumenten de andere, eerder genoemde,  definitie wordt gehanteerd.

De schaalvergroting van melkveebedrijven gaat door en uit onderzoek blijkt dat grote(re) bedrijven vaker de koeien op stal houden. Zodoende zal bij eenzelfde aandeel melkveebedrijven met weidegang, het percentage koeien in de wei verder afnemen. Binnen de doelen en afspraken van het Convenant Weidegang kan zo het percentage weidekoeien de komende jaren nog flink afnemen. Daarom is een extra inzet nodig. Ik verwacht dat zuivelbedrijven die extra inspanningen willen doen. En zelf koop ik de laatste jaren overwegend melk en kaas geproduceerd van weidemelk. Hopelijk komen er binnenkort ook toetjes en pudding met weidemelk op de markt. Dan komt het waarschijnlijk wel goed met het Convenant Weidegang en mogen we met vertrouwen zeggen: “The proof of the pudding is in the eating”.

Frits van der Schans
20 juni 2012

<< Terug