CLM Animatie




Supermarkten jagen koeien de wei uit

Dit artikel is in enigszins ingekorte en aangepaste vorm gepubliceerd in Trouw d.d. 18 december 2003 door Wouter van der Weijden en Frits van der Schans.

De prijzenslag tussen de supermarkten kan er toe leiden dat de koeien uit het Nederlandse landschap verdwijnen. Om dat te voorkomen moeten milieu- en boerenorganisaties de handen ineenslaan en afspraken maken met de supermarkten.

De door Albert Heijn begonnen prijzenslag tussen supermarkten kent winnaars en verliezers. Winnaars zijn de portemonnee van de consument en de inflatiebestrijding. Verliezers zijn de buurtsupermarkten, de speciaalzaken en daarmee de diversiteit in de winkelvoorziening. Ook de leveranciers van de supermarkten, waaronder de boeren, moeten inleveren. Een deel van hen zal moeten stoppen, een ander deel moet overgaan tot schaalvergroting. Ook wordt het extra moeilijk om tegemoet te komen aan de wensen van de samenleving inzake dierenwelzijn, natuur en landschap. Duidelijk voorbeeld is: bij lagere prijzen zullen steeds meer koeien het hele jaar op stal blijven en dus uit de wei verdwijnen.<br>
Daarvoor hebben veehouders verschillende redenen:

  • Heeft een bedrijf meer dan zo'n 250 koeien, dan worden de loopafstanden naar het grasland te lang.
  • Koeien die buiten lopen produceren bij slecht weer minder melk. Veel veehouders prefereren een hoge en constante productie.
  • Koeien die permanent op stal blijven zijn gemakkelijker te "managen". De werkzaamheden zijn elke dag ongeveer gelijk.
  • Zo kan een prijzenslag tussen supermarkten de koeien de wei uit jagen.

Dat is een verlies in vier opzichten. Ten eerste wordt het landschap saaier en eentoniger. Ten tweede hebben de koeien minder gelegenheid voor natuurlijk gedrag, zoals grazen en rusten in kuddeverband. Dat is ongunstig voor hun welzijn en mogelijk ook voor hun weerstand tegen ziekten. Ten derde zijn er minder mestflatten in de wei, en daardoor minder mestkevers en –vliegen. Daardoor is er minder voedsel voor jonge weidevogels. Ten vierde is gebleken dat melk van koeien die in de wei lopen en vers gras eten een hoger percentage "gezonde" vetzuren bevat. Kortom, de koeien op stal houden kan kosten besparen, maar heeft nadelen voor het landschap, de koeien, de weidevogels en de consument.

Landbouworganisaties voerden de afgelopen weken actie tegen de lage melkprijzen. Zij hebben daarbij de verbale steun van milieuorganisaties en de Dierenbescherming. Die steun zou best wat actiever mogen zijn. Toch biedt terugschroeven van de prijsverlaging geen garantie dat de koeien in de wei blijven. Dan profiteren immers ook de ca. 12% veehouders mee die de koeien nu al het hele jaar op stal houden. Veel effectiever is productdifferentiatie: melk van koeien die in de wei lopen komt in de klassen A en B, en kan daardoor een hogere prijs opbrengen. De overige melk komt in klasse C. De kleine Noord-Hollandse kaasfabrieken Cono en Willlig betalen boeren al een weidetoeslag van 0,5 eurocent per liter. Landbouworganisaties hebben moeite met product- en prijsdifferentiatie, want dat kan verdeeldheid in eigen gelederen veroorzaken. Dat bezwaar zullen zij moeten inslikken, willen zij de actieve steun van maatschappelijke organisaties krijgen.

Supermarkten verzwijgen voor hun klanten dat lage melkprijzen de koeien de wei uit jagen. Dat is weinig transparant en bovendien een gemiste kans, want uit enquêtes is gebleken dat 97% van de Nederlandse consumenten wil dat de koeien in de wei blijven; 40% zegt zelfs bereid te zijn daarvoor tot 15 eurocent per liter meer te betalen. Dat laatste zal in de praktijk best wat tegenvallen, maar zelfs als de liefde niet verder zou gaan dan enkele eurocenten, ligt hier een commerciële kans van formaat. Temeer omdat steun mogelijk is van grote milieu-, natuur- en dierenbeschermingsorganisaties. Alleen al Natuurmonumenten heeft een miljoen leden en kan daarmee indirect aanzienlijke invloed uitoefenen op consumenten, een invloed die zij merkwaardig genoeg nog nooit heeft gebruikt. Ook de toeristenbond ANWB, die onder meer opkomt voor een aantrekkelijk landschap, kan met een campagne onder haar 3,8 miljoen leden een krachtige impuls geven.

De tijd lijkt rijp dat deze organisaties om de tafel gaan zitten met supermarkten, landbouworganisaties en zuivelindustrieën. Dat zou kunnen resulteren in de volgende afspraken:

  • Zuivelindustrieën en supermarkten gaan onderscheid maken tussen "weidemelk" (A- en B-merken) en "stalmelk" (C-merk).
  • Zij communiceren dat duidelijk - ook op de verpakking - aan de consument. Voor eieren is zulke informatie al wettelijk verplicht.
  • Zij stunten niet langer met "weidemelk" en betalen geen melkprijzen meer die beneden de kostprijs van duurzame melkproductie liggen.
  • Supermarkten maken een keus. Ofwel zij halen "stalmelk" uit de schappen, zoals zij eerder deden met eieren uit de legbatterij. Of zij laten de keus aan de consument, maar houden het prijsverschil dan zo klein dat het de verkoop van "weidemelk" niet remt.
  • Maatschappelijke organisaties voeren campagne voor “weidemelk” en tegen "stalmelk".
  • Eén van de weinige partijen die dan nog roet in het eten kan gooien is de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA). Die torpedeert, ter bescherming van de consument, vaak afspraken tussen producenten. Maar het zou dwaas zijn als de NMA afspraken verbiedt die juist beogen waar te maken wat vrijwel alle consumenten willen: dat de koeien in de wei blijven.

Sluit venster