CLM Animatie




Rem nodig op verganzing boerenlandschap

Dit artikel is verschenen in het Agrarisch Dagblad van 1 september 2006 door Frank Visbeen en Adriaan Guldemond.

Het aantal overzomerende ganzen in Nederland neemt sterk toe. De schade voor de landbouw wordt onaanvaardbaar groot volgens Frank Visbeen en Adriaan Guldemond. Zij dragen oplossingen aan.

Nederland verganst. Er komen steeds meer ganzen voor waar veel mensen van genieten. De inheemse grauwe gans is als broedvogel een succesverhaal. Na het uitsterven aan het eind van de 19de eeuw vond het eerste broedgeval weer in 1961 plaats en zijn de aantallen explosief gestegen tot 25.000 broedparen in 2005 met een totale populatie van 100.000 vogels. Het einde van de groei is nog niet in zicht, want de jaarlijkse populatiegroei bedraagt 20%. Maar de medaille heeft een keerzijde: de landbouw komt steeds meer in de verdrukking.

Ook in Waterland-Oost, Polder Katwoude en de Zeevang is het aantal grauwe ganzen sterk toegenomen. Vooral melkveebedrijven langs de dijk van het Markermeer komen steeds meer in de problemen. In het groeiseizoen eten de ganzen het gras voor de neus van de koeien weg. Bovendien vervuilen ze het gras met hun uitwerpselen waardoor het niet meer smakelijk is voor het vee en ongeschikt is om te oogsten. De situatie is zo kritisch geworden dat boeren bijna genoodzaakt zijn het melkvee op te stallen. Ganzen verdrijven zo de koeien uit de wei. En bedrijven missen de beste grassnede, waardoor deze ernstige schade lijden.

Vervolgens worden de boeren geconfronteerd met een krakkemikkige schaderegeling. Wil een boer voor een vergoeding in aanmerking te komen, dan eist het Faunafonds dat hij de ganzen verjaagt door bijvoorbeeld linten, vlaggen, knalapparaten of vuurpijlen. Knalapparaten en vuurpijlen verstoren het vee en vlaggen werken al lang niet meer: de ganzen grazen er vrolijk tussendoor. Daarnaast moet hij voor de taxatie de percelen met schade vrijhouden van beweiding. Dat betekent opstallen van het vee en extra ruwvoerkosten.

Verder geeft de taxatie geen beeld van de werkelijke schade. Uit onderzoek op melkveebedrijven in de Vechtstreek blijkt dat de schade veroorzaakt door overzomerende grauwe ganzen 2 tot 2,5 maal groter is dan de getaxeerde schade van het Faunafonds. Het resultaat: frustratie bij boeren, slechtere bedrijfsresultaten en zelfs dreigende faillissementen, en groeiend wantrouwen jegens de overheid.

In 2004 hebben het ministerie van LNV, provincies, LTO-Nederland, natuurbeschermingsorganisaties en Vogelbescherming in het Beleidskader Faunabeheer afgesproken een plan van aanpak op te stellen voor de problematiek van de overzomerende ganzen. Daar wachten we nog steeds op. Intussen dienen de provinciale faunabeheerplannen als basis voor ontheffingen voor afschot en het schudden van eieren. Maar dat werkt niet. Zo is onlangs in Noord-Holland de ontheffing door de rechter opgeschort en vervolgens door de provincie ingetrokken.

De situatie dreigt onbeheersbaar te worden. Een planmatige gebiedsaanpak is nodig waarbij jagers, agrarische natuurverenigingen, natuurbeschermingsorganisaties en boeren het beheer van de overzomerende ganzen ter hand nemen met alle wettige middelen die ter beschikking staan.

Volgens een recent rapport van Sovon is de meest effectieve methode het doden van volwassen, broedende vogels. In de ruiperiode in juni wanneer de oude vogels hun slagpennen vervangen en niet kunnen vliegen, is het effectief de grauwe ganzen met hun jongen te vangen en te doden. Een ander mogelijkheid is het schudden van eieren, maar dat is alleen effectief als het in een gebied grondig gebeurt. Daarnaast is afschot mogelijk in de resterende periode.

Dat vraagt om een forse inspanning van de jagers, want in de foerageergebieden voor overwinterende ganzen en smienten is afschot alleen mogelijk in de periode  april - september. Zowel het schudden van eieren als afschot vraagt tevens om goede afspraken tussen boeren, natuurbescherming en jagers. Ook zijn experimenten nodig met het ongeschikt maken van broedgebieden en het onbereikbaar maken van foerageergebieden voor jonge nog niet vliegvlugge ganzen in de directe omgeving van de broedplaatsen. Ook vossen kunnen bijdragen aan het reguleren van grauwe ganzen, maar dat moet niet ten koste gaan van weidevogels. Provincies zouden het voortouw moeten nemen om deze experimenten op gebiedsniveau grootschalig en met een goede organisatie op te pakken.

Tenslotte: wat te doen met de geschoten ganzen? Deze zouden lokaal of grootschalig gebruikt kunnen worden voor smakelijke (streek)producten, waardoor ze een goede bestemming krijgen. Ook de eieren kunnen, als zij tijdig worden gevonden, benut worden voor de verwerking van producten. Zo werden vroeger  eendeneieren gebruikt in de beschuitindustrie van de Zaanstreek. Een goede communicatie is essentieel om voor deze producten draagvlak te krijgen bij de samenleving. De wildpakketten op de Hoge Veluwe laten zien dat dat kan.

Ook zal het ministerie van LNV de schaderegeling voor overzomerende ganzen moeten herzien. Dat is van belang voor het voortbestaan van de landbouw in de ganzengebieden, voor koeien in de wei en voor draagvlak bij boeren voor agrarisch natuurbeheer. Grauwe ganzen horen in Nederland, maar als de samenleving de lusten heeft van de ganzen, dan is het niet meer dan redelijk dat de lasten eerlijk worden verdeeld.

Frank Visbeen en Adriaan Guldemond zijn lid van het Samenwerkingsverband Waterland, waarin boeren en natuurbeschermers al 25 jaar samenwerken.


Sluit venster