CLM Animatie




Atlas toont invloed landbouw op vogelstand

Dit artikel is in aangepaste vorm gepubliceerd in het Agrarisch Dagblad d.d. 16 januari 2003 door Wouter van der Weijden.

De veranderingen die de landbouw de laatste decennia heeft doorgemaakt hebben grote invloed gehad op de vogelstand, zowel positief als negatief. Zo hebben weidevogels schade geleden en hebben ganzen geprofiteerd. Volgens Wouter van der Weijden heeft de landbouw ook de komende decennia veel vogels te verliezen en veel te winnen.

De kerstvacantie was voor mij een fraaie gelegeneheid om de nieuwe Atlas van de Nederlandse broedvogels van A tot Z door te spitten, of beter: te verslinden. Om meteen maar mijn conclusie te geven: de atlas is een helder, overzichtelijk boek barstensvol fraaie verspreidingskaarten, teksten en wetenswaardigheden, met als hoogtepunt de teksten van Rob Bijlsma. De atlas is een must voor iedere Nederlander met interesse voor vogels.
De samenstelling van zo’n atlas is een gigantisch karwei, waaraan vele honderden vogelaars hebben meegewerkt. Helaas geeft het boek geen cijfers over de geïnvesteerde tijd, maar die moet minstens honderd mensjaren hebben bedragen, grotendeels liefdewerk. Hier past grote bewondering.

Eerst wat basisfeiten. Nederland telt momenteel 236 soorten broedvogels. Daarvan behoren er 29 tot de "exoten" zoals de fazant en de Nijlgans die zijn ingevoerd uit andere werelddelen en waar niet iedereen blij mee is. Vergeleken met 25 jaar geleden, toen de vorige atlas werd gemaakt, is het aantal waargenomen soorten (exclusief exoten) met veertien toegenomen. Dat is verheugend, maar misschien ietwat geflatteerd, want vandaag wordt er intensiever en beter waargenomen. De grote winnaars blijken de vogels van het bos, de grote verliezers zijn de vogels van heide en stuifzand. In de duinen, de moerassen en landbouwgrond zijn er zowel winnaars als verliezers. Van de 16 soorten die de meeste winst hebben geboekt zijn er vijf mede afhankelijk van de landbouw. En van de 18 soorten die het meeste verlies hebben geleden zijn er zeven mede afhankelijk aan de landbouw. Een licht negatieve balans dus.

Wat zijn de oorzaken van deze veranderingen? Dat zijn er vele. De toename van de bosvogels is het gevolg van de aanleg van nieuwe bossen, vooral in Flevoland. Maar ook van de veroudering en een meer natuurlijk beheer van bestaande bossen. Moerasvogels hebben geprofiteerd van natuurontwikkeling in bijvoorbeeld de Oostvaardersplassen. Andere natuurgebieden kregen te maken met wateronttrekking en stikstofneerslag. Daardoor trad "vergrassing" op van heiden en stuifzanden, wat fataal was voor een soort als de duinpieper. In de duinen trad "verstruiking" op. Dat was schadelijk voor bijvoorbeeld de tapuit, maar gunstig voor de nachtegaal. Verstruiking trad ook op in moerassen, tot schade van rietvogels, maar tot heil van de blauwborst, die daardoor zelfs kon worden afgevoerd van de rode lijst van bedreigde soorten! Andere oorzaken van verandering: intensivering van het agrarisch grondgebruik, toename van de recreatie en toename van vos en havik.
Soms liggen de oorzaken verrassend ver weg. De toename van de kruisbek bijvoorbeeld houdt verband met de aanleg van 40 miljoen ha naaldbos in Rusland na 1950. En de stand van de grasmus en puperreiger gaat op en neer met de regenval in de Sahel.

Helaas is de atlas weinig consequent als het gaat om oorzaken. Zo worden bij de ene soort ontwikkelingen in het buitenland of de uitbreiding van vos en havik als factoren genoemd, maar bij een vergelijkbare soort waar je dat ook zou verwachten wordt er niet over gerept. Hier wreekt zich dat de teksten zijn geschreven door maar liefst 111 verschillende auteurs (opvallend genoeg uitsluitend mannen!), die bovendien niet allemaal voldoende ecologische expertise hebben. Soms krijgt de landbouw daardoor wat al te gemakkelijk de zwarte piet toegeschoven, bijvoorbeeld in het geval van de ringmus.

De atlas drukt ons met de neus op dilemma’s in het natuurbeheer. Ook hier heeft elk nadeel z’n voordeel. Dat geldt niet alleen voor de reeds genoemde verdroging en stikstofneerslag, maar ook bijvoorbeeld voor verstedelijking. Die schaadt de vogels van open land, maar helpt zangvogels zoals roodborst en vink. Omgekeerd heeft menig voordeel z’n nadeel: de toename van havik en vos is op zichzelf prachtig, maar eist een tol. Bomen planten in het landelijk gebied biedt kansen voor allerlei vogels, maar ook voor eksters en kraaien, die eieren van weidevogels eten. En vervanging van hoogstam- door laagstamfruitbomen verjaagt diverse vogelsoorten, maar lijkt gunstig voor de putter.

Dat brengt ons bij de landbouw. Die wordt in de atlas verantwoordelijk gesteld voor de achteruitgang van veel vogelsoorten, zowel in gras- als bouwland. En inderdaad, vaker maaien en intensiever beweiden schaadt grondbroeders zoals weidevogels. In de akkerbouw hebben factoren als intensieve onkruidbestrijding, vervanging van zomer- door wintergraan en betere schoning van zaaizaad dramatisch uitgepakt voor zaadetende vogels, zoals patrijs, grauwe gors en veldleeuwerik.

Gelukkig zijn er ook opstekers te melden:

  • stopzetting van het gebruik van enkele persistente bestrijdingsmiddelen rond 1970 heeft geleid tot een langzaam, maar indrukwekkend herstel van roofvogels en roek;
  • tegenover de achteruitgang van vogels die OP de percelen broeden staat vooruitgang van veel vogels die ROND de percelen broeden. Dat komt onder meer door de ruilverkavelingen nieuwe stijl, met meer bosjes en landschapselementen;
  • de intensivering van het graslandgebruik heeft weliswaar de weidevogels geschaad, maar juist gunstig uitgepakt voor grasetende vogels, zoals ganzen en smienten. Het betrof vooral wintergasten, maar ook broedvogels zoals de grauwe gans;
  • de kerkuil heeft geprofiteerd van de plaatsing van nestkasten op boerenerven;
  • de grauwe kiekendief is voor Nederland behouden door samenwerking tussen natuurbeschermers en Groninger akkerbouwers.

Zulke opstekers bieden hoop voor de toekomst, vooral als boeren en natuurbeschemers nog meer gaan samenwerken. Er valt veel te verliezen, maar ook veel te winnen. Ik ben benieuwd hoe de landbouw over 25 jaar gaat scoren in de volgende vogelatlas.

SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. Nederlandse Fauna 5. Leiden.


Sluit venster