|
![]() |
||||||
![]() |
Wel wandelen in het Groene Hart, niet wonenDit artikel is in enigszins ingekorte en aangepaste vorm gepubliceerd in Trouw d.d. 11 februari 2004 door Eric Hees en Adriaan Guldemond. De contouren van het nieuwe ruimtelijke beleid van dit kabinet worden snel duidelijk: meer ruimte bieden aan gemeenten en het particuliere initiatief voor bouwen in het groen. Dat wordt door G. Marlet in Trouw van 7 februari ook hard toegejuicht. Maar zullen hierdoor de verschraling en de verrommeling van het Nederlandse landschap niet toenemen? Een uiterste waakzaamheid en goede regie zijn nodig.
Marlet geeft aan dat door meer ruimte voor bouwen op het platteland we zowel meer, betere, mooiere als goedkopere huizen gaan bouwen. Dat willen we allemaal wel, maar wat zijn de consequenties daarvan? Het Nederlandse landschap is door het restrictieve ruimtelijke beleid van de afgelopen decennia redelijk open gebleven. Er is altijd een duidelijke landschappelijke scheiding geweest tussen stad en dorp en het platteland eromheen. Voor buitenlanders is dat een openbaring: veel open ruimte in een zeer dicht bevolkt land. En voor Nederlanders is het nog belangrijker: een tegenwicht voor de jachtige stad, de ontmoeting met natuur en landschap.
De druk op de openheid van het platteland wordt echter steeds groter. De regering wil in het nieuwe ruimtelijk beleid meer mogelijkheden voor bouwen op het platteland. Geen grenzen meer aangeven, waarbinnen bebouwing rond stad en dorp kan plaatsvinden. Dit alles omdat het ruimtelijke beleid moet bijdragen aan de versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland, zoals in het concept van de Nota Ruimte van het ministerie van VROM te lezen valt. Projectontwikkelaars kunnen hun ogen niet geloven.
Zo wordt bijvoorbeeld aan het Groene Hart flink geknaagd. Locaties tussen Gouda, Leiden en Alphen aan de Rijn staan op de nominatie voor woningbouw en bedrijventerreinen. Is dat een verstandige keuze? Open ruimte kun je immers maar één keer volbouwen. Juist voor natuur en landschap moeten we met het Groene Hart heel zorgvuldig om gaan. Als er één internationaal gezien uniek landschap in Nederland is, dan is het wel het veenweidegebied. Dat vinden we in het Groene Hart, in Noord-Holland Midden en in Noordwest Overijssel en Zuidwest Friesland. Ook de cultuurhistorie van het veenweidegebied is van grote betekenis, met haar unieke verkaveling, slotenstelsel en oude bewoningsplaatsen, de donken.
Ook zijn de veenweidegebieden zoals het Groene Hart van eminent belang voor weidevogels. Van de grutto, een weidevogel die ernstig in de verdrukking zit, broedt circa 70 % in Nederland. Zowel voor het veenweidelandschap als voor de grutto heeft Nederland een grote internationale verantwoordelijkheid. Daar mogen we trots op zijn. Knagen aan het Groene Hart en aan andere open weidegebieden gaat daar lijnrecht tegenin.
Zorgen dat Nederland landschappelijk erop vooruit gaat en tegelijkertijd de sociaal-economische situatie op het platteland verbetert, dat is dé opgave voor Nederland het komende decennium. Het vraagt onzes inziens om een paradoxale actie: de betrokkenheid van stadsbewoners bij het platteland vergroten. Niet door er te gaan wonen en werken en er dus stedelijk gebied voor enkelen van te maken, zoals Marlet voorstaat, maar door het platteland meer als publieke, open ruimte voor velen te ontwikkelen. Vergroten van de mogelijkheden om het platteland te zien, ruiken en proeven door het meer toegankelijk te maken.
Boeren, die bijvoorbeeld meer dan 80% van het Groene Hart in gebruik hebben, spelen daarin een sleutelrol. Wij denken aan nieuwe wandelpaden over en langs boerenland, waarvan de betekenis is af te lezen aan het enorme succes van bijvoorbeeld het Pieterpad. In bestemmingsplannen kan meer ruimte geboden worden aan economische activiteiten als kamperen bij de boer, bed & breakfast, kinderopvang bij de boer, boerenwinkels e.d. mits landschappelijk ingepast. Maar ook kan aan beëindigde agrarische bedrijven een nieuwe functie worden gegeven, zoals jongerenhuisvesting, opsplitsing in meerdere wooneenheden of nieuwe vormen van bedrijvigheid.
Natuurlijk blijft er ook behoefte aan ruimte voor nieuwe woningen, maar laten we geconcentreerd bouwen en er voor zorgen dat niet overal de bebouwing oprukt. Wanneer ruimte echt nodig is voor bebouwing, dan zal geld geïnvesteerd moeten worden om het omringende landschap duurzaam in stand te houden en te verbeteren. Dat geld kan gehaald worden uit de meerwaarde die wonen en werken naast het groen nu eenmaal heeft, een meerwaarde die nu grotendeels bij projectontwikkelaars en aannemers terecht komt.
De animo van veel boeren om het landschap te verbeteren neemt nog steeds toe. Om dit proces te versnellen moeten de Europese landbouwsubsidies meer worden ingezet voor behoud van landschap en natuur. Landgebruik door boeren is nog altijd de goedkoopste manier om het cultuurlandschap vorm te blijven geven. Zonder boeren zal het überhaupt niet mogelijk zijn om een open landschap te houden. Een mogelijk alternatief is dat een agrarisch bedrijf van 40 ha wordt verkaveld in 10 dure kavels van 4 hectare. Daarop komt dan een landhuis, paarden die het gras kort houden en witte paardenhekken en het is nog steeds een betrekkelijk open landschap, maar met een volslagen ander karakter. En niets doen leidt tot verruiging van het landschap en uiteindelijk tot bos, en dat is het einde van het cultuurlandschap.
Voor een weloverwogen sociaal-economische en landschappelijke ontwikkeling blijven overheden verantwoordelijk voor de publieke waarden van het landschap: het Rijk draagt verantwoordelijkheid voor landelijke waarden en de provincies samen met gemeenten regisseren de regionale ontwikkeling. Een signaal van de rijksoverheid dat neerkomt op volbouwen maar brengt veeleer een tegengestelde beweging op gang. Bouwen in het groen zonder regels veroorzaakt verrommeling en daardoor een minder aantrekkelijk platteland. Dat is het grote risico van het nieuwe beleid en van wat Marlet voorstaat. Daarmee worden landschap èn steden te kort gedaan. Sluit venster |
||||||