Gebruik van kopersulfaat in voetbaden
Dit artikel is in enigszins ingekorte en aangepaste vorm gepubliceerd in V-Focus d.d. 10 oktober 2005 door Anton Kool (CLM) en Menno Holzhauer (GD).
Is het gebruik van kopersulfaat in voetbaden een probleem voor het milieu en welke alternatieven zijn mogelijk om problemen op termijn te voorkomen? Dit was de centrale vraag tijdens een bijeenkomst met onderzoekers, o.a. van RIVM (Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu), ASG (Animal Science Group), GD, (Gezondheidsdienst voor Dieren), Alterra, TCB (Technische Commissie Bodembescherming) en NMI (Nutriënten Management Instituut), boeren, voorlichters en dierenartsen georganiseerd door het CLM (Centrum voor Landbouw en Milieu). Deze bijeenkomst was georganiseerd als startbijeenkomst om gezamenlijk aan oplossingen te gaan werken.
In dit artikel zijn eerst de achtergronden beschreven: wat is het gebruik van kopersulfaat en kan dit gebruik leiden tot milieuproblemen en zo ja, op welke termijn. En vervolgens hoe kan het dat ondanks een koperoverschot er toch koperbemesting geadviseerd wordt? Tenslotte gaan we in op de mogelijkheden die én effectief zijn voor een goede klauwgezondheid én het melkveebedrijf en zijn omgeving niet “overbelasten”.
Het gebruik van kopersulfaat in praktijk
Het CLM heeft een inventarisatie uitgevoerd naar het gebruik van kopersulfaat in voetbaden op ca. 80 melkveehouderijbedrijven. Hieruit kwam naar voren dat 85 % van de melkveehouders gebruik maakt van voetbaden en 40 % daarbij kopersulfaat in voetbaden gebruikt. Ook de GD vond dat 37% (421 bedrijven in 2002 2003 onderzocht) van de melkveebedrijven kopersulfaat als voetbad gebruikt.
De vloeistof die na gebruik in de voetbaden resteert, wordt in alle gevallen geloosd in de mestput. Zodoende belandt het koper via de mest op het land en aansluitend in de bodem. Ook via andere bronnen komt koper in het bedrijfssysteem, bijvoorbeeld via het krachtvoer. Met balansberekeningen kunnen we de aan- en afvoerposten van koper naast elkaar zetten om na te gaan of er een overschot dan wel een tekort is (vergelijkbaar met de Minas systematiek). Op basis van deze berekeningen blijkt er een ruim overschot te zijn dat voor een groot gedeelte voor rekening van de koper uit voetbaden komt. Op sectorniveau bepaalt het gebruik van kopersulfaat 41 % van het koperoverschot (figuur 1).
Figuur 1. Het aandeel van de verschillende aanvoerposten in het koperoverschot op sectorniveau in de Nederlandse melkveehouderij.
Leidt het gebruik van kopersulfaat in voetbaden tot milieuproblemen?
De vraag die dan opkomt is of dat hoge overschot aan koper uit voetbaden leidt tot problemen in de bodem of het oppervlaktewater.
In de bodem
De koper uit krachtvoer, mineralenmengsels en voetbaden komt terecht in de mestput en vervolgens met de mest op het land, waarbij de koper zich vooral in de bovenste 20-30 cm van de bodem ophoopt. Voor het kopergehalte in de bodem is een grenswaarde (de zgn. “streefwaarde”) opgesteld. Deze waarde geeft een grens tot welk niveau men nog spreekt van een schone bodem. Kom je daarboven dan is de bodem niet direct chemisch verontreinigd maar kunnen er wel problemen optreden met de bodemgezondheid. Ophoping dienen we altijd zoveel mogelijk te voorkómen en het liefst te vermijden. De grenswaarde hangt af van het percentage lutum en organische stof (humus). Hoe hoger het gehalte lutum en organische stof, hoe hoger de grenswaarde ligt.
Gemiddeld over alle grondsoorten is berekend wanneer bij het huidige gebruik van kopersulfaat de grenswaarde wordt bereikt. Het blijkt dat bedrijven die gebruik maken van kopersulfaat gemiddeld over 42 jaar de grenswaarde bereiken. En op bedrijven die relatief grote hoeveelheden kopersulfaat gebruiken, is de grenswaarde binnen 25 jaar bereikt. Dit betekent dat een behoorlijk aantal melkveebedrijven (40% gebruikt kopersulfaat in het voetbad) de grenswaarde voor koper binnen een beperkt aantal decennia bereikt, met als gevolg dat de bodemgezondheid achteruitgaat met alle nadelige gevolgen voor het gebruik als weide of bouwland van dien.
Behalve de grenswaarde is er de zogenaamde ‘LAC-waarde’. Dit is het kritieke gehalte met het oog op landbouwkundig gebruik. Het kopergehalte mag niet hoger zijn dan de LAC-waarde. Bij overschrijding van de LAC-signaalwaarde is het grasland in eerste instantie niet meer geschikt voor beweiding door schapen (vooral Texelaars) en later ook niet meer voor rundvee. Bij overschrijding van de LAC-waarde kunnen ook negatieve effecten op het bodemleven en de productie worden verwacht.
Op sommige graslanden is de LAC-waarde lager dan de grenswaarde. Uit meetresultaten van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit komt naar voren dat op veen en rivierklei de LAC-waarde voor beweiding wordt overschreden. De grenswaarde wordt op rivierklei benaderd en op veen overschreden.
Uit bovenstaande kunnen we concluderen dat het gebruik van kopersulfaat in voetbaden leidt tot een extra snelle ophoping van koper in de bodem. Met name op veen en rivierklei zien we al overschrijdingen van de grenswaarde en de LAC-waarde. Dit betekent dat de bodemgezondheid in het geding is en dat er landbouwkundige problemen kunnen ontstaan.
Ondanks overschot toch koperbemesting?
Het tegenstrijdige in deze is dat ondanks de hoge aanvoer van koper in de bodem (via bijvoorbeeld lozingen uit voetbaden) er in de praktijk toch regelmatig koperbemesting ten behoeve van het gewas geadviseerd wordt. Een belangrijke verklaring is dat de opgehoopte koper in de bodem vaak niet in een voor de plant opneembare vorm beschikbaar is. In het bemestingsadvies wordt alleen uitgegaan van het voor de plant beschikbare koper. Daarbij komt ook nog dat deze beschikbare koper vooral op lichte gronden gemakkelijk uitspoelt naar het grondwater.
In het water
In de gebieden met lichtere (zand)gronden zal de ophoping van koper in de bodem niet snel tot problemen leiden. Hier is echter de kans op uit- en afspoeling van koper naar het grond- en oppervlaktewater veel groter. Vooral met de komst van de Kaderrichtlijn Water betekent deze, kans op overschrijding van kwaliteitsnormen.
Alternatieven
Uit het bovenstaande blijkt dat het beter is voor de bodem en het water dat kopersulfaat niet terecht komt in de mestput. Toch is een goede klauwgezondheid voor een goed bedrijfsrendement en uit het oogpunt van welzijn noodzakelijk. Hieronder beschrijven we alternatieven waarmee in de eerste plaats een goede klauwgezondheid bereikt kan worden en tegelijkertijd belasting van bodem en water wordt voorkómen.
Gebruik andere middelen in voetbaden
Bij de Ziekte van Mortellaro adviseert de GD wekelijkse voetbaden (gedurende 2 melkmalen) met een 4% formaline-oplossing (uitgaande van 40% handelsformaldehyde). Probleem bij het gebruik van formaline is dat dit middel bij intensief gebruik, schadelijk voor de gezondheid van de gebruiker is. Daarom moeten bij het werken met formaline voldoende voorzorgsmaatregelen worden genomen. Deze voorzorgsmaatregelen betreffen vooral de omgang met formaline op het moment van bereiden (voorkomen inademen en direct huidcontact) en het plaatsen van de voetbaden buiten de melkstal in een goed geventileerde ruimte.
De gevolgde desinfectie met formaldehyde van de klauwen ten behoeve van de Ziekte van Mortellaro heeft ook een preventieve werking op andere infectieuze klauwaandoeningen (bijv. Stinkpoot en Tussenklauwontsteking). Hiervoor zijn waarschijnlijk geen aanvullende maatregelen nodig.
In andere landen lijkt met succes gebruik gemaakt te worden van Kovex-foam®. De werkzame stof in dit middel is een aldehyde-achtige stof. Dit middel is relatief onschadelijk. Momenteel wordt onderzoek gedaan door CA FNZ/ecolab naar gebruik van dit middel voor de melkstal. Het probleem bij deze strategie is dat het toegepast moet worden voor de melkstal, waarbij het middel via de poten in de melkstal gebracht wordt, met risico op contaminatie van de melk. Dit past niet in het huidige zuivelbeleid, is daarom niet toegelaten in Nederland en dit zal in de nabije toekomst ook niet veranderen .
Op ca. 5 % van de melkveehouderijbedrijven wordt gebruik gemaakt van zinksulfaat. Dit middel leidt tot de ophoping van zink in de bodem, met als gevolg vergelijkbare problemen als bij het gebruik van kopersulfaat. Hierdoor is zinksulfaat dus geen alternatief voor het gebruik van kopersulfaat.
Gebruik minder middelen
Tussen de bedrijven bestaat een grote variatie in de hoeveelheid middelen die worden gebruikt. De hoeveelheid middelen kan worden beperkt door te zorgen dat de voetbaden effectief worden toegepast. Mest belemmert vaak de werking van het middel. Voor een goede werking moeten de klauwen schoon zijn. Daarom kan het voetbad het best na de melkstal worden toegepast, eventueel nadat de klauwen zijn schoon gespoten en/of het gebruik van 2 voetbaden achter elkaar. Daarnaast is het voor een goede werking belangrijk dat de koeien na het voetbad 30 min. op schone roosters staan, zodat het middel kan inwerken.
|
Afgelopen voorjaar (2005) is een onderzoek van de GD en het ASG op het proefbedrijf “Nij Bosma Zathe” uitgevoerd naar de effectiviteit van verschillende middelen in voetbaden. In die periode zijn gedurende de gehele stalperiode verschillende koppelstrategieën uitgevoerd:
· controle groep met behandeling volgens het GD-advies (=wekelijks 2 melkmalen formaline voetbad)
· groep 1.: GD advies, halve frequentie
· groep 2.: doorloopbad met een commercieel 2% multi-compound middel
· groep 3.: verhoogde hygiëne, in combinatie met het sta-bad met een 2% multicompound.
· groep 4.: doorloopbad met soda ( 3%)
Dagelijks vond controle plaats op het vóórkomen van ernstige Mortellaro symptomen en 1x/ 3 weken is gecontroleeerd op alle stadia van Mortellaro- laesies. De resultaten zullen in de herfst in de vakbladen besproken worden, maar de voorlopige resultaten hebben al aangetoond dat de proefgroepstrategieën (1 tot en met 4) minder effectief waren dan het GD-advies (controlegroep).
|
Voorkom klauwproblemen
In Nederland wordt op ca. 10-15 % van de melkveehouderijbedrijven geen gebruik gemaakt van voetbaden. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of dit op de langere termijn mogelijk is om de klauwen gezond te houden zonder het gebruik van voetbaden. Tijdens de bijeenkomst is een stemming gehouden over de maatregelen die het beste genomen kunnen worden om klauwproblemen te voorkomen. Hieruit bleek dat vooral een schone stal met een goed klimaat en een gezonde voeding als belangrijkste aanknopingspunten werd gezien ter voorkoming van klauwproblemen.
Een andere optie is het afvoeren van de gebruikte vloeistof met kopersulfaat. De aanwezigen vonden dit over het algemeen echter geen praktische oplossing.
Hoe nu verder hiermee?
Klauwgezondheid blijft een belangrijk aandachtspunt in het management van de melkveehouder. Het welzijn van de veestapel en de economie van het bedrijf zijn beide gebaat bij een optimale klauwgezondheid. Aandacht hiervoor hoeft niet ten koste te gaan van de bodem- en waterkwaliteit. Door bewust gebruik, inzet van andere middelen en het voorkómen van gebruik (door bijv. goede stalventilatie, schone en droge roosters) kan de melkveehouder voorkómen dat er koper ophoopt in de bodem of uitspoelt naar het grond- en/of oppervlaktewater.
Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Veehouders zullen goed geïnformeerd moeten worden over alternatieven, het juiste gebruik daarvan en mogelijkheden om door preventie het gebruik van voetbaden in het geheel te beperken. Het beste kan dit door te leren van collega’s: hoe doen ze het, wat zijn de resultaten en gaat het naar tevredenheid. Dit zijn aspecten waar de GD en CLM de komende tijd mee aan de slag zullen gaan.
Sluit venster |